Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog strooiden de strijdende landen gul met medailles. Frankrijk alleen al kende tussen 1915 en 1918 meer dan twee miljoen keer het ‘Croix de Guerre’ toe. Aan de Duitse kant regende het IJzeren Kruizen. En dat voor dapperheid. Daar kwamen later nog deelname- en herinneringsmedailles bij. De Nederlandse overheid was daarentegen niet bepaald scheutig met eremetaal. Nu was Nederland neutraal en dan is er natuurlijk minder aanleiding voor onderscheidingen. Maar zelfs een deelnamemedaille was teveel gevraagd in een tijd waarin regeringen ieder belastingdubbeltje twee keer omdraaiden voordat het werd uitgegeven.
door Edwin Ruis
De Nederlandse neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog was een zogeheten gewapende neutraliteit. Nederland was niet neutraal uit pacifistische overwegingen of omdat het dat door een internationaal verdrag was opgelegd. Neutraliteit was een vrije keuze. Dat betekende dat de Nederlandse krijgsmacht werd geacht een afschrikkende werking te hebben op potentieel vijandige partijen. Het moest duidelijk zijn dat Nederland zijn huid duur zou verkopen, mocht een van onze buurlanden tot een invasie overgaan. Daarom was het belangrijk dat de krijgsmacht snel kon mobiliseren: vanaf het eerste moment moest het defensieve posities innemen.
Op 31 juli 1914 werden 200.000 mannen opgeroepen voor militaire dienst, nadat er een dag eerder een voormobilisatie had plaatsgevonden van kust- en grensbewakingstroepen. Ten behoeve van de mobilisatie werd spoorwegmaterieel door de overheid gevorderd en werden alle verloven bij de spoorwegen, de telegrafie en de posterijen ingetrokken. De mobilisatie verliep zeer succesvol. Al op 1 augustus bevond 90% van de dienstplichtigen zich op zijn mobilisatiebestemming. Op 4 augustus was de mobilisatie voltooid.
Verdediging
De Nederlandse verdediging rustte op drie pilaren. Ten eerste de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In een tijd waarin troepen zich vooral te voet en te paard verplaatsten, was dat nog een goed werkende barrière, zoals aan het IJzerfront in Vlaanderen zou worden bewezen. Binnen de Waterlinie lag de Vesting Amsterdam met zijn ring van fortificaties. En tenslotte zou in de ‘buitengebieden’ het uit 95.000 man bestaande mobiele Veldleger actief zijn en een invasiemacht zo lang mogelijk lastig vallen.
Bij aanvang van de oorlog was het Nederlandse leger redelijk goed op orde en geen makkelijke prooi. Gedurende het verloop van de Eerste Wereldoorlog kwam het wel in hoog tempo achterop te liggen ten opzichte van de oorlogvoerende landen, vooral op het gebied van artillerie. In de praktijk betekende de Eerste Wereldoorlog dat de Nederlandse krijgsmacht iets meer dan vier jaar op wacht moest staan. Een stevige test van geduld en moreel. Af en toe leidde dat tot gemor onder de manschappen, met in oktober 1918 een dieptepunt in de vorm van de muiterij op de Harskamp.
Demobilisatie
De muiterij en andere potentieel revolutionaire dreiging leidden ertoe dat de legerleiding na de wapenstilstand van 11 november 1918 tot een geleidelijke demobilisatie besloot. Op 14 november werden de lichtingen van 1916 en eerder, die meer dan drie jaar hadden gediend, gedemobiliseerd. In februari 1919 volgde de lichting 1917 en in april die van 1918. In mei 1919 waren er alleen nog de reguliere dienstplichtigen voor die periode en vrijwilligers.
Na de oorlog kwam er vanuit de overheid geen blijk van waardering voor de jongens die drie jaar of meer van hun leven hadden opgeofferd met wachtlopen. Een onderscheiding kwam er pas in augustus 1924. Toen werd op particulier initiatief van het ‘Nationaal Comité Herdenking Mobilisatie 1914’ een herinneringskruis ingesteld: het Mobilisatiekruis 1914-1918.
Herinneringskruis
De medaille was ontworpen door de beeldhouwer en ontwerper H.J. Jansen van Galen (1871-1949). Het is een bronzen kruisje in art deco stijl van 33 mm breed en hoog. Op de horizontale kruisarmen staat in hoofdletters AUGUSTUS, NOVEMBER en op de verticale 1914, 1918. Tussen de armen zitten bundels pijlen; een oud symbool van kracht en eenheid. Op de achterkant staan onder elkaar de woorden MOBILISATIE, VREDE, EER en een fabrieksmerkje. Het bijhorende lintje heeft in het midden een brede blauwe baan en aan beide zijden banen in rood, wit en blauw.

Mobilisatiekruis1914-1918 (c) E. Ruis
Het Mobilisatiekruis 1914-1918 moest je zelf kopen bij de stichting. Het kostte inclusief lint Hfl. 0,46, een eenvoudig kartonnen doosje kostte Hfl. 0,06 extra en een kruisje met lint in een luxe doosje kostte in totaal Hfl. 0,56.
Om het kruis te mogen kopen en dragen moest je aan de volgende voorwaarden voldoen:
‘a. hen, die in de periode augustus 1914 – november 1918 een door de regering erkend Nederlands uniform hebben gedragen; als ook aan alle beroeps- en verlofmilitairen (van alle categorieën), die in deze periode in Nederland of in de overzeesche gebiedsdelen dan wel bij de vloot gedurende kortere of langere tijd onder de wapenen zijn geweest;
b. alle niet-militairen, die òf ter vervanging dan wel ter aanvulling van militair personeel diensten verrichtten en daartoe bij troepen of staven (onder militair bevel) zijn ingedeeld geweest; òf behoorden tot organisaties, welke werk verrichtten ter wille van de krijgsmacht of van de landsverdediging, die niet door de overheid zijn ingesteld, maar wel erkend.’
Het mobilisatiekruis werd in 1924 door de regering erkend (Legerorder no. 396) en daarmee een officiële onderscheiding zonder dat het de overheid geld kostte. Later gaf het Nationaal Comité ook een versie uit voor burgers die zich verdienstelijk hadden gemaakt ten behoeve van de mobilisatie. Deze medaille was niet van brons gemaakt, maar van zilverkleurig metaal en wordt daarom het Witte Mobilisatiekruis 1914-1918 genoemd. Deze onderscheiding werd niet door de overheid erkend.
***






