Samen met mijn echtgenote heb ik deze week in het Filmhuis Gouda de film “the Choral” gezien. Deze is vorig jaar uitgebracht en heeft op het British Film Designers Guild festival van 2026 de prijs gewonnen van Beste Productie van voorgaande jaar.
door Peter van Diesen
De film speelt in het Yorkshire van 1916 en hoewel de makers verzekeren dat het geen oorlogsfilm in de traditionele zin van het woord is, is de Eerste Wereldoorlog in elk opzicht het decor van de handeling. De rode draad is het feit dat het lokale fabriekskoor zich voorbereidt op de jaarlijkse Paasopvoering. De traditionele Matthäuspassion wordt niet meer gepast geacht, omdat die door een Duitser is gecomponeerd. Daarom besluit men tot The Dream of Gerontius van de toen nog levende Edward Elgar. Deze verleent graag zijn toestemming om het stuk ten gehore te brengen. De leiding over het koor wordt in handen gelegd van dr. Henry Guthrie, die overigens ook omstreden is omdat hij een groot deel van zijn loopbaan in Duitsland heeft doorgebracht en onder meer bevriend is met Johannes Brahms.
Guthrie neemt enkele rigoureuze beslissingen. Zo legt hij de hoofdrol in handen van een jonge, in de oorlog gewonde soldaat, en de traditionele hoofdzanger en fabrieksdirecteur-annex-wethouder, krijgt (overigens met diens eigen instemming) een ondergeschikte rol. Verder maakt Guthrie een arrangement dat voor een lokaal koor haalbaar is en stimuleert hij de plaatselijke bevolking om vrienden en bekenden te interesseren voor een bijdrage aan de productie. Humoristisch is dat Elgar, als hij lucht krijgt van deze ingrepen, zijn toestemming voor uitvoering intrekt, maar na een moment van wanhoop wordt de productie toch opgevoerd, met als argument dat voor een gratis concert geen toestemming nodig is. Het centrale thema van de film is dat gezamenlijk musiceren alle persoonlijke en maatschappelijke tegenstellingen overbrugt, zelfs (wellicht juist) in tijden van oorlog. Mogelijk hoopt de regisseur van de film, Nicholas Hyttner, dat deze les ook op ons huidige tijdsgewricht van toepassing is.
In de marge van het verhaal spelen allerlei nevenplots, zoals de adolescentie van de jongeren in de stad (waarvan de jongens overigens op het punt staan te worden opgeroepen voor dienstplicht), de sociale tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen, het streven naar vrouwenkiesrecht, het socialisme onder de arbeiders, de rabiate uitingen van vaderlandsliefde (en haat jegens Duitsland), prostitutie en de latente homoseksualiteit van enkele koorleden. Het probleem is echter dat geen van deze thema’s uitgewerkt (laat staan opgelost) wordt, zodat zij uiteindelijk verworden tot soms hinderlijke voetnoten die nauwelijks invloed hebben op de hoofdhandeling. Ook bijvoorbeeld het feit dat het vastgelopen huwelijk van de fabrieksdirecteur en zijn echtgenote door de geslaagde uitvoering een nieuwe impuls krijgt, wordt in het totaalbeeld slechts aangestipt.
Daarbij komt dat de muziek, die toch de kern van deze film vormt, bijna karikaturaal wordt behandeld: lange tijd overheersen het vals zingen en de beperkte beheersing van de instrumenten. Als het op het einde dan toch klopt op de manier zoals Guthrie had bedoeld, komt dat bijna lachwekkend over en niet als de apotheose die Hyttner (die toch in 1997 een BAFTA heeft gewonnen met The madness of King George) ongetwijfeld voor ogen stond.
Wat mij het meeste stoorde, was het feit dat geen van de acteurs en actrices (met mogelijke uitzondering van Roger Allam, die de fabrieksdirecteur speelt) een aangrijpende acteerprestatie neerzet. Ook Ralph Fiennes, die zijn sporen heeft verdiend in onder meer Schindlers List, the English Patient en Wuthering Heights, komt in The Choral onvoldoende uit de verf.
Al met al: the Choral geeft een levendig tijdsbeeld van een Engelse stad ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, maar de kijker blijft achter met een lichte kater en het gevoel dat hier veel meer in had gezeten.





