In 1929 publiceerde de Duitse auteur Alexander Frey (1881-1957) zijn roman “die Pflasterkästen”, in het Nederlands vertaald als “Ziekendrager aan het westelijk front”. Hoofdpersoon is de hospitaalsoldaat Funk, die vanaf 1915 dient in Vlaanderen en Noord-Frankrijk.
door Peter van Diesen
“Die Pflasterkästen” bekleedt een aparte plek in het repertoire van Frey, die in het Duitsland van Weimar bekend stond als auteur van fantasy en satirewerken. Het lijdt weinig twijfel dat het boek in belangrijke mate gebaseerd is op de persoonlijke ervaringen van Frey aan het Duitse front. Zo heeft Frey een aantal van zijn andere boeken gepubliceerd onder het pseudoniem Alexander Funk. Ook blijkt de Funk in het boek, evenals Frey in werkelijkheid, een aantal semesters Rechten te hebben gestudeerd. Bovendien geeft de fictieve Funk herhaaldelijk blijk van eenzelfde mate van pacifisme als de auteur Frey. Zo wordt de oorlog omschreven als “het grote beest dat de wereld in zijn klauwen houdt”. Bovendien vertelt Funk van zichzelf dat hij de opleiding tot ziekendrager heeft gevolgd omdat hij voor zichzelf gezworen had nooit op een medemens te zullen schieten. De these dat voor Duitsland de Eerste Wereldoorlog een defensieve strijd was, wordt door Funk/Frey als “pathetisch geklets” aangeduid.
Vermeldenswaard is dat Frey in hetzelfde Beierse regiment heeft gediend waarin ook Adolf Hitler als koerier dienst heeft gedaan. Hitler heeft na de oorlog pogingen gedaan om Frey te bewegen toe te treden tot de NSDAP, maar deze heeft dat consequent geweigerd. Gevolg daarvan was overigens dat Frey zich reeds in 1932 gedwongen heeft gezien naar Zwitserland te vluchten. Zijn boeken behoorden tot degene die in 1933 in Berlijn door de nazi’s verbrand werden. Frey zou in Zwitserland overlijden.

Alexander Frey
In de roman komen alle stereotypen voor die ook uit de vakliteratuur over de Eerste Wereldoorlog bekend zijn: de gruwelijke verminkingen van de patiënten met wie Funk als ziekendrager direct geconfronteerd wordt, maar ook de verveling van de mannen in rustige momenten, het gebrek aan hygiëne en de ontheemding van groepen mannen die gedwongen zijn lange tijd in elkaars nabijheid en in het aangezicht van de dood te leven. Ook de materiële en personele uitputting van de Duitse strijdkrachten in de latere stadia van de oorlog komt uitgebreid aan bod. Funk/Frey schildert de officieren vrijwel zonder uitzondering af als (vaak incompetente) dienstkloppers die hun gebrek aan moed afreageren op hun ondergeschikten. Funk probeert zich in dergelijke situaties staande te houden en zijn menselijkheid te bewaren, maar hij is gedwongen te erkennen dat hij daarin niet slaagt. Zo vervreemdt hij van zijn lotgenoten en is gedoemd een eenling te blijven.
Een typerende passage: “Maar de gevallenen in de jarenlange slachtpartijen zijn eigenlijk niets anders dan vermoorden. Zelfs de mildere uitdrukking “doden” is onnauwkeurig. Met miljoenen vermoord – het is een onweerlegbaar feit, want het ontbrak zeker niet aan voorbedachte raad en de intentie om leven te vernietigen. Als je om de waarheid te bevorderen overeen zou komen om nooit meer te spreken van “gevallenen”, maar altijd van “vermoorden” – zou dat de neiging tot oorlog voeren misschien uitroeien, denkt Funk.“
Twee kernelementen vallen bij lezing van deze roman op. Ten eerste worden de lotgevallen van Funk grotendeels schetsmatig, vaak bijna karikaturaal, weergegeven. Ten tweede ontbreekt de beschrijving van iedere vorm van emotie, noch bij de slachtoffers in de verbandpost, noch bij het medisch personeel. De ziekendragers die een muis proberen te verdrinken, de officier die voor het slapengaan voorgelezen wil worden, de soldaat die zijn geamputeerde arm terug wil om die voor een laatste maal de hand te schudden – alles komt voorbij, maar zonder dat er emotie aan gehecht wordt.
In zekere zin vertoont “Ziekendrager aan het westelijk front” overeenkomsten met het veel bekendere “Van het westelijk front geen nieuws” van Erich Maria Remarque, dat in dezelfde periode verscheen. Maar waar de onthechting en beklemming van de oorlog bij Remarque aantoonbaar invloed hebben op de hoofdrolspelers, blijven de beschrijvingen bij Frey afstandelijk en “unheimisch”. Daardoor leren we Funk, in tegenstelling tot Remarque’s Paul Bäumer, eigenlijk maar oppervlakkig kennen. Hoewel dat wellicht een bewuste stijlkeuze van Frey is, wijst het verschil in verkoopcijfers erop dat zijn boek het grote publiek veel minder aangesproken heeft dan dat van Remarque.
Het einde van de roman is opmerkelijk. In het laatste hoofdstuk, dat speelt in de tijd van de wapenstilstand, deelt Funk zijn superieuren mee dat hij weigert nog langer aan de oorlog bij te dragen. De laatste zin luidt dan “Funk laat zich zonder tegenstribbelen naar de ziekenafdeling brengen” – kennelijk als patiënt. De lezer snakt naar verdere uitleg over zijn lot, maar dat wordt hem door Frey onthouden.
De roman van Frey geeft al met al een goed overzicht van de onthechting en de gruwelen waarmee een Duits militair, en zeker een hospitaalsoldaat, in de Eerste Wereldoorlog geconfronteerd werd. Het boek zou echter in belangrijke mate aan kracht hebben gewonnen als ook de emoties (woede, verdriet, pijn of onbegrip) beter uitgewerkt zouden zijn. Daardoor overheerst bij de lezer na afloop een zekere teleurstelling.
***
Deze en andere (rechtenvrije) Duitse romans zijn vertaald door Kees van Hage. Op zijn website kunt u ze terugvinden en lezen: www.keesvanhage.wordpress.com. Voor de ‘Ziekendrager’ zie hier.
Andere romans over WO1 zijn: Andreas Latzko’s ‘Mensen in de oorlog’ en Peter Schmitz’ ‘Golgotha’.






