Het is de zomer van 1914. Op het einde van Uiteengescheurd, het derde en laatste deel van de Transsylvaanse trilogie van Miklós Bánffy, rijdt een van de hoofdpersonen, graaf Bálint Abády, gedesillusioneerd een berg af, terwijl hij uitkijkt op ‘lange bergruggen met afgeplatte flanken. Reusachtige doodskisten, lijkkisten van volken. In onbeweeglijke majesteit stonden ze opgesteld onder aan de wereldbrand’. Hij is op weg naar zijn regiment, dat op het punt staat ten strijde te trekken tegen het Russische leger. Alle verdeeldheid binnen de Hongaarse politiek en de Hongaarse afkeer van de Oostenrijkers lossen in een zucht op nu alle energie gericht kan worden tegen een externe vijand.
door Fons van Lier
Nachtelijke goktafels
Maar voor het zover is, worden we zo’n 1.500 pagina’s meegenomen door het adellijke leven in het Hongarije en Transsylvanië in de beginjaren van de twintigste eeuw, met lome zomermiddagen op de door bergen omzoomde landgoederen, nachtelijke goktafels in Boedapest waar vermogens worden gewonnen (maar meestal verloren), uitzinnige bruiloften met zigeunerorkesten en grote hoeveelheden drank, en duels die worden uitgevochten om de meest futiele redenen. Bánffy, zelf een baron en de steenrijke eigenaar van een van de grootste landgoederen van Transsylvanië, kende deze wereld van binnenuit en dat is te merken: hij tekent de sociale codes en de vaak subtiele machtsverhoudingen met veel flair en inzicht.
Maar tussen alle jachtpartijen, feesten en amoureuze intriges door sijpelen langzaam maar zeker onheilspellende geluiden naar voren: een hoge adviseur uit de kringen rond de kroonprins die duistere visioenen schetst van plannen om de Balkan onder Oostenrijkse invloed te krijgen; een grote oorlog die bijna oplaait als gevolg van de Oostenrijkse annexatie van Bosnië-Herzegovina; plotseling uitbarstende oorlogen op de Balkan; Britten, Fransen en Russen die de banden aanhalen; Italië dat zogenaamd een bondgenoot is maar ondertussen aast op delen van Oostenrijk.
Weense achterkamertjespolitiek
Bánffy verweeft die grote politiek en een tekening van een samenleving die deze donderwolken zoveel mogelijk probeert te negeren met een vertelling van de levens van twee neven: de adellijke jonge mannen Bálint Abády en László Gyeröffy, waarvan de een parlementslid is, op zijn landgoederen sociale hervormingen probeert door te voeren en ondertussen een gedoemde romance heeft met een jeugdvriendin, de ander een vroeg wees geworden musicus die ten onder gaat aan gokken, drank en (ook hij al) een onmogelijke liefde. Om hen heen komen en gaan een breed scala aan kleurrijke personages, waarvan de grote hoeveelheid het soms wel lastig maakt uit elkaar te houden wie precies wie is, ook al omdat velen bij verschillende namen worden genoemd.
Via Bálints parlementaire bezigheden geeft de cyclus ook een beeld van de politieke stemming in Hongarije in de jaren naar de Eerste Wereldoorlog toe: ongeremd nationalistisch, op het hysterische af. Waarbij de grote vijand niet zozeer Rusland is, maar Oostenrijk. Een terugkerend thema in de drie romans is het Hongaarse geklaag over ‘Weense achterkamertjespolitiek’, de woede over de ‘Judassen’ in de Hongaarse politiek die het land afhankelijk houden van de Oostenrijkse machthebbers. Ondertussen sleepte de Hongaarse politiek zich van crisis naar crisis, met vaak moeilijk voorstelbare ophef over symbolische kwesties zoals sabelkwasten in de Hongaarse driekleur.
Carnavalsfeest
Maar eigenlijk ging het erom dat de eisen van 1848, toen de Hongaren in opstand kwamen tegen de Oostenrijkers en hardhandig werden onderdrukt door het Oostenrijkse en Russische leger, ondanks de Ausgleich van 1867 nooit waren vergeten. De Hongaren eisten een eigen leger, meer financiële autonomie en een eigen douanegebied, de Oostenrijkers wilden juist meer centralisatie en meer investeringen in het leger.
Het resultaat was stagnatie, aangezien de Hongaarse helft van de Dubbelmonarchie alle besluitvorming blokkeerde (dit klinkt ons natuurlijk bekend in de oren…). Niet dat het iemand wat kon schelen, er was tenslotte altijd wel een carnavalsfeest of jachtpartij om de aandacht af te leiden. Om de zaken nog gecompliceerder te maken, eisten ook de Roemeense en Slavische minderheden, die bij de Ausgleich geen eigen gebiedsdelen met zelfbestuur hadden gekregen, steeds meer een eigen rol op.
Waarschuwing
Bánffy beschrijft de paleizen, kleding en gedragingen van de personages, ook als het gaat om bijfiguren, tot in detail. Dat maakt dat scènes soms wat lang aanslepen, anderzijds krijg je zo wel een goed beeld van de wereld die hij beschrijft. Bánffy is niet voor niets de Transsylvaanse Tolstoi genoemd, al legt hij het qua psychologische diepgang en stijl wel af tegen de Russische meester.
Uiteindelijk heeft Bánffy de hele wereld die hij in deze boeken met zoveel liefde heeft geschetst ten onder zien gaan – hijzelf incluis. Het leeuwendeel van zijn landgoederen verloor hij in 1922 door een Roemeense landhervorming, vervolgens stalen de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog zijn overgebleven landgoed leeg en staken het in brand. Hij stierf berooid in 1950, in een communistisch Hongarije.
Bánffy schreef de boeken in de jaren dertig, als waarschuwing, omdat hij zag dat het Hongarije in die tijd dezelfde fouten aan het maken was als in de tijd van voor de Grote Oorlog – zoals lichtzinnig nationalisme en een onvermogen om te zien dat het land afstevende op een catastrofe. Het heeft niet mogen baten. Gelukkig bieden de boeken ons een prachtige blik op een wereld die sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog definitief voorbij is. Sinds 2022 zijn alle drie de delen vertaald in het Nederlands. Dat heeft dus even geduurd, maar het was het wachten meer dan waard.
Miklós Bánffy – De Transsylvaanse trilogie (Geteld, geteld; Te licht bevonden; Uiteengescheurd)






