Op 8 april 2024 hield de Canadese historicus Jesse Alexander een online voordracht voor de Britse Western Front Association (WFA). Onderwerp van deze presentatie, die zoals veel andere bijdragen van Alexander, integraal op Youtube terug te vinden is, was de invloed van de Eerste Wereldoorlog op de Franstalige minderheid in Canada.
door Peter van Diesen
In 1914 was van de bijna 8 miljoen Canadezen naar schatting een kleine 30% Franstalig. Zij waren vooral gevestigd langs de oostkust, in de provincie Quebec en rond de stad Ontario. Er was bovendien sprake van aanzienlijke sociaal-economische verschillen met de Engelstalige meerderheid: de Franstaligen waren vooral woonachtig in kleine dorpjes en leefden van agrarische activiteiten, terwijl de grotere steden vooral bevolkt waren door Engelstalige industrie-arbeiders. De Franstaligen waren bovendien, in tegenstelling tot hun Engelstalige landgenoten, vooral katholiek.
Wantrouwen
Al vóór 1914 was er sprake van groot wantrouwen tussen beide linguïstische groeperingen. Dat bleek onder meer uit pogingen van de Engelstalige meerderheid om het onderwijs in minderheidstalen (in de praktijk dus het Frans) te reduceren. Ook de kwestie of Canadezen de plicht hadden het Britse moederland bij te staan in de Boerenoorlog (1880-1902) was aanleiding tot grote controverses, omdat die aanhaakte bij de vraag hoe “Brits” Canada moest zijn. Bij de Engelstaligen was het enthousiasme groter dan bij de Franstaligen.
Als zelfstandig Dominion had Canada autonomie in de binnenlandse politiek, maar was het gedwongen de buitenlandse politiek van het Gemenebest te volgen. Het was dan ook vanaf de Britse oorlogsverklaring aan Duitsland in 1914 automatisch lid van de geallieerden. Maar Canada had een militiesysteem, hetgeen inhield dat Canadezen alleen op basis van vrijwilligheid in militaire dienst gingen.

Franstalige rekruteringsposter van de Canadese strijdkrachten.
Met name onder Engelstalige Canadezen was de animo om daadwerkelijk deel te nemen aan het conflict tamelijk groot; al in december 1914 werden Canadese eenheden, na een korte opleiding in Groot-Brittannië, ingezet op het Europese vasteland. De Franstalige Canadezen waren echter minder enthousiast, zeker toen bleek dat in de praktijk alle Canadese eenheden in de praktijk Engelstalig waren. Weliswaar waren er Franstaligen die hoopten dat oorlogsdeelname zou leiden tot meer onafhankelijkheid (soortgelijke argumenten werden ook in Ierland en India gehoord), maar het overheersende gevoel was dat Franstalige Canadezen die zich aanmeldden opgeofferd werden voor de eer en glorie van het Britse Gemenebest.
22e Infanterieregiment
Onder politieke druk, en met steun van welvarende Franstaligen, werd er weliswaar een uitsluitend Franstalig Canadees bataljon opgericht (het 22e Infanterieregiment), maar dat werd tijdens de slagen aan de Somme (1916) nagenoeg volledig gedecimeerd. Weliswaar werden de verliezen aangevuld (het regiment maakt nog heden ten dage deel uit van de Canadese krijgsmacht), maar na deze grote verliezen lukte het niet meer om een uitsluitend Franstalige eenheid te onderhouden.
Heden ten dage wordt de Canadese verovering van de hoogte van Vimy (april 1917) beschouwd als een belangrijke impuls voor het Canadese nationalisme. In de praktijk bleek echter dat deze zege ook de inter-linguïstische verhoudingen onder additionele druk zette. De (in meerderheid Engelstalige) Canadese politieke leiding besloot namelijk dat dit militaire succes alleen gecontinueerd kon worden als Canada, in navolging van het Britse moederland, de dienstplicht zou invoeren. Met name de manier waarop dat gebeurde, zette bij de Franstaligen kwaad bloed; zo werden pleidooien voor een referendum over deze kwestie genegeerd en werd aan de vooravond van de parlementsverkiezingen van december 1917 plotseling het kiesrecht toegekend aan vrouwen die een familielid in de krijgsmacht hadden. De oplegging van de dienstplicht leidde dan ook in Quebec tot rellen waarbij (Engelstalige) militaire eenheden vier demonstranten doodschoten. Ironisch genoeg werd de dienstplicht ingevoerd in 1918, waardoor vele dienstplichtigen niet meer aan de oorlog zouden deelnemen.
Autonomie
In totaal zond Canada ruim 600.000 militairen naar de slagvelden van Europa, hetgeen neerkomt op bijna 10% van de totale Canadese bevolking. Van hen zouden bijna 60.000 sneuvelen en 170.000 gewond raken (Hirschfeld et al, Enzyklopädie des 1. Weltkrieges). Niemand weet hoeveel daarvan Franstalig waren, omdat merkwaardig genoeg de Canadese militaire statistiek geen vraag naar de taal van de rekruten omvatte. Alexander komt niet verder dan een schatting dat tussen de 35.000 en 70.000 Franstalige Canadezen daadwerkelijk zijn ingezet in het Europese strijdtoneel. Dat zou dan procentueel iets lager zijn dan hun aandeel in de totale Canadese bevolking.
De conclusie van Alexander is dat de Canadese deelname aan de Eerste Wereldoorlog de toch al gespannen verhoudingen tussen de twee grote linguïstische groeperingen in het land verder onder druk heeft gezet, en daardoor één van de impulsen is geweest voor een groeiende autonomiebeweging in Quebec.
Zijn voordracht voor de WFA (vergelijkbaar met de seminars die de SSEW geregeld organiseert) was uiterst informatief. Alexander slaagt er bij zijn vele voordrachten, die in meerderheid op Youtube terug te kijken zijn, vaak in aandacht te besteden aan minder bekende aspecten van de Eerste Wereldoorlog, en daarbij een verband te leggen met situaties in het heden.






