Vorig jaar tikte ik bij een antiquair een opmerkelijk boekje op de kop. Het betrof de memoires van de Duitse kroonprins Wilhelm van Hohenzollern, de oudste zoon en beoogd troonopvolger van keizer Wilhelm II van Duitsland. Het is grotendeels geschreven op het Nederlandse Wieringen, destijds een eiland in de Zuiderzee, waarheen Wilhelm na de val van de monarchie en zijn vlucht naar Nederland was verbannen.
door Peter van Diesen
In het boek beklaagt Wilhelm zich over het wantrouwen waarmee de lokale bevolking hem bejegende, die hij toeschrijft aan zijn reputatie als “der Mörder von Verdun” en “Frauenjäger”. Deze reputatie is volgens hem een gevolg van de propaganda van de (voormalige) geallieerden. Hij meldt met genoegen dat het wantrouwen van de bewoners van Wieringen in de loop van de maanden afneemt, met name door het verzoenende optreden van burgemeester Peereboom en het feit dat hijzelf Nederlands leert spreken (al staat niet vast hoe goed zijn kennis van de taal daadwerkelijk was).
De memoires hebben de vorm van een aantal brieven, die deels chronologisch, maar deels ook thematisch zijn opgebouwd. Wilhelm zegt met zijn memoires een “ehrliche und ungeschmuckte” weergave van zijn herinneringen aan zijn jongere jaren te willen geven. In de praktijk blikt echter dat hij “eerlijke” herinneringen voortdurend afwisselt met beschouwingen over de politieke situatie tijdens het schrijven (1922) en over de toekomst van Duitsland.
Zoon en vader
Zijn jeugd in Potsdam en Berlijn beschrijft Wilhelm als gelukkig. Met name koestert hij warme herinneringen aan zijn moeder. Hoewel ook Wilhelm II wordt beschreven als een liefhebbende ouder, had hij volgens zijn zoon weinig tijd voor zijn kinderen. Bovendien verhinderde zijn op militaire leest geschoeide opvoeding de uitdrukking van gevoelens (“zu direkten freundlichen … Aussprachen zwischen Vater und Söhnen kam es kaum”). Tussen de regels door klinkt het verwijt dat Wilhelm II zijn zoon te kort heeft gehouden en enigszins heeft verwaarloosd.

Koningin Victoria met achterkleinzoon Wilhelm.
Reeds in het begin van het boek presenteert Wilhelm zichzelf als degene die in 1907 de “ogen van de keizer opent” ten aanzien van prins Philipp Eulenburg, een van diens naaste vertrouwelingen. Hoewel ook heden ten dage nog niet alle aspecten van deze affaire duidelijk zijn, staat vast dat Eulenburg homoseksuele contacten met hooggeplaatste personen had, mogelijk zelfs met Wilhelm II zelf. Daardoor werd Eulenbergs positie aan het hof onhoudbaar. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de kroonprins degene was die zijn vader daarvan op de hoogte heeft gebracht.
Verderop in de tekst suggereert de kroonprins dat Wilhelm II in 1908, na het desastreus ontvangen interview dat deze in de ‘Daily Telegraph’ had gegeven, zou hebben willen aftreden ten gunste van zijn zoon. In diens woorden is het aan zijn eigen inbreng de danken dat hij weliswaar enkele maanden als informeel plaatsvervanger is opgetreden, maar daarna de regeringsverantwoordelijkheid weer aan zijn vader heeft gelaten. Ook dit is een te rooskleurige weergave van de feiten. De keizer is weliswaar door dit interview, dat inzage gaf in de buitenlands-politieke ambities van Duitsland, in verlegenheid gebracht, maar er zijn geen aanwijzingen dat Wilhelm II daadwerkelijk bereid zou zijn geweest af te treden.
Visies op de toekomst
In juni 1905 trouwt prins Wilhelm met hertogin Cecilie van Mecklenburg. Samen krijgen zij zes kinderen. Wilhelm beschrijft het als een gelukkig, niet op politieke keuzes berustend huwelijk, en hij trekt van leer tegen geruchten die het tegendeel beweren. Hij gaat daarbij voorbij aan het feit dat hijzelf jarenlang (ook op Wieringen!) een buitenechtelijke relatie had, waaruit twee kinderen voortkwamen.
In zijn boek slingert Wilhelm heen en weer tussen echte memoires en visies op de toekomst, zowel die van hemzelf als zijn vaderland. Daarbij vermeldt hij een belangrijk motief voor zijn geschrift. Hij stelt vast dat de toekomst van Duitsland niet verloren is: “Sein deutsches Vaterland in all seiner Not und Erniedrigung werktätig lieben, heisst heute: arbeiten und wieder arbeiten.” Dit motief steekt telkens weer de kop op: Wilhelm wil zichzelf presenteren als redder van het toekomstige Duitsland. Tegen die achtergrond is het ook van belang dat Wilhelm zich in het boek (vier jaar na de abdicatie van zijn vader) blijft presenteren als “Kronprinz”.
In zijn memoires spreekt Wilhelm grote bewondering uit voor Von Hindenburg en Ludendorff (“wir Oberbefehlshaber”). Ook dat moet waarschijnlijk worden gezien in het kader van Wilhelms na-oorlogse ambities. Beide militaire leiders waren in 1922 nog politiek actief en genoten een hoge reputatie bij de strijdkrachten en de daaruit voortgekomen, meestal rechts georiënteerde Freikorps. Impliciet sluit Wilhelm aan bij de Dolkstootlegende: de Duitse krijgsmacht is niet in het veld verslagen, maar door verraad van het thuisfront.
Uit de tekst van de memoires klinkt voortdurend een (soms verholen, soms openlijke) afkeer van burgerlijke politici, en met name Wilhelms afkeer van rijkskanselier von Bethmann Hollweg. Hij verwijt Bethmann “Mangel an politischem Blick und staatsmännischem Instinkt” en schrijft hem een “Seele voll Schwerblutigkeit und Unentschlossenheit” toe. Hoewel hij het in de memoires niet meldt, beschreef Wilhelm later het ontslag van Bethmann Hollweg in 1917 als “de mooiste dag van mijn leven”.
Vermakelijk is het feit dat Wilhelm voortdurend zijn rol als opperbevelhebber van het 5e Leger benadrukt. We weten namelijk inmiddels dat de keizer hem had opgedragen alles te doen wat zijn Chef Staf, Schmidt von Knobelsdorf, voorstelde. Hoewel niet vaststaat in hoeverre Wilhelm zich aan die instructie heeft gehouden, blijkt uit de opdracht van de keizer dat hijzelf twijfels koesterde over de leidersbekwaamheid van zijn zoon.
Militaire dictatuur
Als in de loop van 1918 de Duitse nederlaag zich steeds duidelijker aftekent, sluit Wilhelm onomwonden aan bij het streven van Ludendorff naar een militaire dictatuur: “Für die Heimat wünschten wir eine energische, rücksichtslos durchgreifende Führung. Diktatur, Unterdrückung aller revolutionairen Umtriebe. Aber unsere Vorschläge und Warnungen blieben ohne jeden Erfolg.” Vervolgens besteedt Wilhelm vele bladzijden aan de militaire ineenstorting van het Duitse westfront en de oorlogsmoeheid aan het thuisfront, waarbij hij met name de ondermijnende activiteiten van linkse politici benadrukt.
Op 8 november 1918 ontbiedt de keizer zijn zoon naar het militaire hoofdkwartier in Spa. Hij is dat aanwezig op het moment dat generaal Gröner, die inmiddels Ludendorff is opgevolgd, meedeelt dat het leger niet meer loyaal is aan de keizer. Op 10 november legt Wilhelm II zich bij de situatie (d.w.z. de afschaffing van het Keizerrijk en het uitroepen van de Republiek) neer. Vader en zoon gaan uiteen; Wilhelm II zal uiteindelijk via Eijsden Nederlands grondgebied betreden.
Een dag na zijn vader betreedt ook Wilhelm Nederlands grondgebied bij Vroenhoven, zuidwestelijk van Maastricht. Na enkele weken wordt besloten dat hij zal worden geïnterneerd in Wieringen. Een voorwaarde van de Nederlandse autoriteiten, ingegeven door de expliciete wens van de nieuwe Duitse regering, is dat Wilhelm afstand doet van zijn aanspraken op de troon. Dat doet hij, volgens de laatste regels van zijn memoires, niet als erkenning van de republiek, maar omdat hij alleen een monarch wil zijn bij de gratie van de wens van zijn volk.
Foute connecties
Wie was nu deze Wilhelm von Hohenzollern, die onder normale omstandigheden keizer Wilhelm III zou zijn geworden? Opmerkelijk is dat hij in de geschiedschrijving rond de Eerste Wereldoorlog nauwelijks vermeld wordt. In de biografie van Christopher Clark over Wilhelm II wordt geen letter aan de kroonprins gewijd, en ook in de analyse van Holger Afflerbach over de uiteindelijke nederlaag van Duitsland wordt slechts aandacht besteed aan de rol van de prins als (nominaal) opperbevelhebber van het 5e Leger.

Rijkskanselier Adolf Hitler en kroonprins Wilhelm in gesprek in Potsdam.
Vermoedelijk houdt dit vooral verband met de reputatie van de kroonprins dat hij niet over een fijnbesnaard politiek gevoel beschikte en dat ook zijn militaire capaciteiten beperkt waren. In ieder geval stelt Herefried Münkler in zijn “Der grosse Krieg. Die Welt 1914-1918” onomwonden vast: “… ob der Kronprinz mehr politische Stärke besessen hätte als sein Vater, ist mehr als fraglich”.
In zijn memoires probeert Wilhelm een zo rooskleurig mogelijk beeld van zichzelf te schilderen. Onvermeld laat hij dat hij reeds vóór de oorlog in contact stond met het Alldeutsche Verband, een antisemitische organisatie die de verdrijving van de Joden uit Duitsland bepleitte. Ook had toen al hij connecties met kringen die ernaar streefden de invloed van burgerlijke partijen in de Duitse politiek terug te dringen en een feitelijke keizerlijke dictatuur te vestigen.
Deze lijn trekt Wilhelm na de Eerste Wereldoorlog naadloos door. Als hij in 1923 toestemming van de geallieerden krijgt om terug te keren naar Duitsland, knoopt hij nieuwe contacten aan in rechts-nationalistische kringen. Hij wordt lid van de Stahlhelm, een paramilitair georganiseerde vereniging voor belangenbehartiging van voormalige frontsoldaten die strijd voeren tegen de Weimar-republiek. Wilhelm heeft contacten met Hitler, Mussolini en Göring. Hij wordt evenwel, in tegenstelling tot twee van zijn zoons, geen lid van de NSDAP. In 1932 overweegt Wilhelm zich kandidaat te stellen voor het presidentschap van de Weimar-republiek, maar zijn vader verbiedt hem enige functie te aanvaarden die als een erkenning van deze republiek kan worden gezien.
In de Tweede Wereldoorlog heeft Wilhelm een tamelijk teruggetrokken bestaan. Hij is lid van het Nationalsozialistisches Kraftfahrerkorps, maar speelt verder geen politieke rol. Dat houdt wellicht verband met het feit dat zijn vader, ook na de Duitse inval in Nederland, weigert naar Duitsland terug te keren zo lang daar de monarchie niet hersteld is. Wilhelm senior overlijdt in Doorn in 1941 en ligt daar nog altijd begraven. Wilhelm junior wordt in 1945 door Franse troepen gearresteerd en andermaal geïnterneerd, ditmaal in Hechingen (Tübingen). Daar sterft hij in 1951.





